Basisgeluidemissie: een nieuw instrument

Luchtfoto BGE

Basisgeluidemissie: een nieuw instrument

Met het invoeren van de Omgevingswet wordt de basisgeluidemissie (BGE) geïntroduceerd. De basisgeluidemissie is een instrument om de geluidproductie van lokale bronnen te monitoren. Daarnaast wordt het ook gebruikt om het geluidaandachtsgebied te bepalen en de saneringsvoorraad te bepalen. Wat is de BGE precies en hoe wordt deze vastgesteld?

Bronnen met een BGE

Voor bronnen die onderdeel uitmaken van de rijksinfrastructuur is de geluidsproductie vastgelegd in geluidproductieplafonds (GPP’s), voor provinciale bronnen gaat dit ook het geval zijn. Voor bronnen die buiten de GPP-systematiek vallen wordt onder de Omgevingswet een BGE vastgesteld om zo de geluidsproductie vast te leggen en te monitoren. Het gaat in dit geval om gemeentelijke wegen, waterschapswegen en lokale spoorwegen (een aantal uitzonderingen daargelaten). Het BGE wordt in ieder geval vastgesteld voor wegen met een intensiteit hoger dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal. Voor wegen met een lagere intensiteit geldt de verplichting voor het vaststellen van een BGE niet.

 

Met welke gegevens wordt een BGE bepaald?

Bij invoering van de Omgevingswet geldt in eerste instantie alleen een verplichting tot het vaststellen van een BGE voor wegen met een intensiteit van 4.500 motorvoertuigen of meer per etmaal. De verplichting voor de overige wegen vanaf een intensiteit van 1.000 motorvoertuigen per etmaal wordt pas later van kracht, namelijk per 1 januari 2026.

De gegevens die ten grondslag liggen van het bepalen van de BGE bestaan onder andere uit de verkeersgegevens, rijsnelheden, de deklaag of bovenbouw. Met behulp van het BGE wordt vervolgens het geluidaandachtsgebied vastgesteld. De beheerders van BGE bronnen, namelijk gemeenten en waterschappen zijn verantwoordelijk voor het tijdig leveren van deze gegevens. De deadline voor de aanlevering wordt op een later moment in een besluit vastgelegd.

Op het moment van schrijven is het peiljaar van de gegevens die gebruikt moeten worden nog niet bekend. In de toelichting van de Aanvullingsregeling geluid is aangegeven dat dit naar verwachting 2022 zal worden, tenzij als gevolg van covid de intensiteiten in dat jaar niet representatief zijn of de invoering van de Omgevingswet wordt uitgesteld. In dat geval is het peiljaar 2022 van de baan en zal er voor een later peiljaar gekozen worden.

De BGE kan door de beheerder worden aangepast wanneer deze bijvoorbeeld is gebaseerd op verouderde verkeersgegevens of wanneer er een beter rekenmodel beschikbaar komt. De gewijzigde BGE resulteert vervolgens in een ander beschermingsniveau (zie ook het kopje ‘Monitoring met behulp van het BGE'). De gegevens die ten grondslag liggen van de BGE en de BGE zelf worden opgenomen in een register, het zogenaamde Informatiemodel Geluid.

 

Monitoring met behulp van het BGE

Voor wegen met een BGE wordt eens in de vijf jaar een monitoringsronde uitgevoerd. Dit is noodzakelijk om het beschermingsniveau dat de BGE biedt te bewaken. Deze periode sluit aan bij de verschijningsfrequentie van de actieplannen geluid conform de Richtlijn omgevingslawaai. De monitoring wordt gedaan op basis van de ‘gemiddelde geluidemissie’ van een kalenderjaar. Deze gemiddelde geluidemissie wordt vervolgens getoetst aan de referentiewaarde. De referentiewaarde is gelijk aan de BGE. Bij een overschrijding van de referentiewaarde van 1,5 dB of meer zal de bronbeheerder de gevolgen moeten onderzoeken en maatregelen moeten overwegen.

BGE infographic

Bronbeheerders krijgen onder de Omgevingswet de vrijheid om de monitoring zelf vorm en invulling te geven. Hiervoor bieden de nieuwe regels ruimte. Zo kan er bijvoorbeeld gekozen worden tussen kwantitatieve en kwalitatieve monitoring, afhankelijk van  de situatie. Denk bij kwalitatieve monitoring bijvoorbeeld aan 30 km/u wegen in woonwijken waar nauwelijks iets veranderd aan de intensiteiten en de omgeving ongewijzigd blijft. Beoordeling voor wegen met minder dan 4.500 motorvoertuigen per etmaal vindt plaats op basis van een schatting, aangezien verkeersmodellen in dat bereik niet nauwkeurig genoeg zijn.

Bij een overschrijding van de referentiewaarde van 1,5 dB of meer is aanvullend akoestisch onderzoek nodig op de gevoelige bestemmingen binnen het geluidaandachtsgebied van de bron. Als ook op de gevoelige bestemmingen sprake is van een overschrijding van de referentiewaarde met 1,5 dB of meer dan moet de gemeente overwegen of geluidbeperkende maatregelen getroffen worden. De gemeente krijgt daarvoor een ruimte bestuurlijke afwegingsruimte. Is er na het treffen van maatregelen nog sprake van het overschrijden van de grenswaarde, dan moet de gemeente ook de binnenwaarde toetsen op overschrijdingen. Er zal dan een besluit genomen moeten worden over het treffen van geluidwerende maatregelen. Overigens is de gemeente verplicht geluidwerende maatregelen te treffen aan de geluidsgevoelige gebouwen wanneer de grenswaarde wordt overschreden.